Professionaliteit bij toetsontwikkeling in het HBO.

Sterker in professionaliteit

Professionaliteit bij toetsontwikkeling in het HBO.

24 maart 2017 Blog 0

12/09/2013

Het zal niemand ontgaan zijn dat na het afstuderen, het afstudeerniveau en vooral ook de beoordeling van het afstuderen, de accreditatiefocus begint te verschuiven naar het volledige toetsbeleid. Het geheel van toetsen moet het beheersen van alle competenties uit het opleidingsprofiel, alle onderdelen van de kennisbasis en alle Dublin Descriptoren op het, bij de opleidingsfase behorende niveau op een betrouwbare en valide manier kunnen beoordelen.

Het construeren van een goede toets vereist, naast professioneel vakmanschap van toetsconstructie en beoordeling, een complexe en goed op elkaar ingespeelde kennisorganisatie (professionele structuur) waarin partijen uitstekend op elkaar zijn ingespeeld en resultaatgericht met elkaar samenwerken (professionele cultuur).

Professioneel vakmanschap

Het professionele vakmanschap dat nodig is voor het construeren van goede toetsen is een essentieel onderdeel van goed onderwijs en behoort daarmee vanzelfsprekend gewoon tot de kerncompetenties die elke docent behoort te hebben. Dat is in de praktijk echter in vele gevallen nog niet het geval. Het ontwikkelen van een goede toets is ook helemaal geen makkelijk werk. Het veronderstelt een diep inzicht in de didactische principes van competentiegericht onderwijs, inzicht in de vakinhoudelijke ins en outs van het eigen curriculum en goede samenwerkingscompetenties. Docenten moeten weten hoe competenties zijn opgebouwd (kennis, vaardigheden, integratie), hoe kan worden aangetoond dat deze elementen ieder apart en geïntegreerd worden beheerst, wat het niveau is waarop de student dit moet kunnen aantonen (het gaat dan zowel om het niveau waarop kennis wordt gebruikt (taxonomie) als om het niveau van de toets in de opleiding (propedeuse, middendeel, afstudeer/ HBO niveau)).  De toetsontwikkelaar moet weten welk onderdelen van een competentie getoetst moeten worden, hoe hij van die competenties leerdoelen kan afleiden, hoe hij die leerdoelen ten opzichte van elkaar kan wegen (bv in een toetsmatrijs), hoe hij de toetsitems qua vorm en gewicht kan afstemmen op de leerdoelen, hoe hij een beredeneerde cesuur kan bepalen en hoe hij een beredeneerd normering kan toetpassen. Voor de toetsconstructie in de eindfase van de opleiding komt daar nog bij dat hij de dublin descriptoren in de toetsing moet integreren.

Professionele cultuur

Gezien de betrouwbaarheidseis dat toetsen beoordeeld, en liefst ook geconstrueerd moeten worden volgens het vierogenprincipe, is het verplicht respectievelijk verdient het aanbeveling een collega-docent mee te laten kijken en feedback te laten geven. Iets wat in de praktijk nog niet altijd met evenveel gemak plaatsvindt. Daarnaast is het bij competentiegericht onderwijs doorgaans zo dat meerdere docenten, vanuit meerdere vakgebieden een onderwijseenheid aanbieden. Dat betekent ook dat de docenten van die eenheid niet alleen hun onderwijs, maar ook hun toetsing zodanig op elkaar moeten afstemmen dat het voor de student een logische toetseenheid wordt. Doorgaans is er één moduleneigenaar. Dat is de docent die ervoor zorgdraagt dat de samenhang in inhoud en kwaliteit van toetsing geborgd is. Dat betekent dus dat deze eigenaar zijn collega’s toetsontwikkelkaders geeft, minimumkwaliteitscriteria formuleert, die kaders en criteria bewaakt en indien noodzakelijk, zijn collegadocenten aanspreekt op het overschrijden van deze kaders. Dat is dus het tegenovergestelde van “leven en laten leven”.

Maar met bovenstaande zijn we er zeker nog niet. Want naast de docenten is ook het management verantwoordelijk voor het ontwikkelen van goede toetsen.  Immers: Het management is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opleiding. Deze kwaliteit betreft, naast een goed curriculum, goede voorzieningen en goede docenten, ook een goede toetsing.  Het management  stuurt op toetskwaliteit en faciliteert deze kwaliteit met beleid, geld, organisatie en deskundigheidsbevordering. Docenten die ondermaats presteren moeten hierop worden aangesproken. Gekeken moet worden wat hier aan de hand is. Kan de docent niet? of wil hij niet? Als hij niet kan, is het aan het management ervoor te zorgen dat hij het leert. Bijvoorbeeld door duidelijk uit te (laten) leggen wat het toetsbeleid is, wat de kwaliteitscriteria toetsing van de opleiding zijn, hoe ze kunnen worden toegepast en dit te laten oefenen (collectieve of individuele deskundigheidsbevordering). Als de docent het na verloop van tijd nog steeds niet kan, is het onvermijdelijk dat hij uit zijn rol als toetsontwikkelaar wordt ontheven. Immers het alternatief is uitgesloten omdat je dan niet langer de waarde van je diploma kan garanderen.

Het uit de rol van toetsontwikkelaar zetten van een docent klinkt onschuldiger dan het lijkt omdat het maken van een goede toets, zoals hierboven ook gezegd, een kerncompetentie van een goede docent behoort te zijn. Een docent die geen toets kan ontwikkelen is als een automonteur die geen motorblok uit elkaar kan halen of een band kan verwisselen; we kunnen twijfelen aan zijn professionaliteit.  Als de docent wel kan maar niet wil (of niet binnen de opleidingskaders wil) is het hoog tijd voor een wat indringender gesprek. Voor een docent die zich op dit cruciale onderdeel van zijn vak weigert te conformeren aan het toetsbeleid zou in de organisatie geen plaats mogen zijn.

Het is aan de manager docenten aan en bij te sturen op toetskwaliteit. Om dat goed te doen heeft hij een duidelijke visie op toetsing, een duidelijk toetsbeleid, heldere kaders en werkbare instrumenten (bv format leerdoelen, format toetsmatrijs, criteria voor validiteit, betrouwbaarheid, transparantie) nodig. Daarnaast moet ook de manager weten wat een goede toets is en hoe het curriculum inhoudelijk en onderwijskundig exact is opgebouwd.  Dat betekent dus inhoudelijk leiderschap. Pas als hij dit inzicht goed heeft, kan hij inhoudelijk de docenten gaan aanspreken en aansturen. Daarnaast moet hij voldoende regelmogelijkheden hebben om geld en tijd gericht in te zetten voor de kwaliteitsverbetering.

 

Volgende week het vervolg: Over de complexe toetsorganisatie

Geef een reactie