Onderwijskwaliteit hbo: de balans na 300 deelnemersdagen (deel 3: leerdoelen en toetsen)

Sterker in professionaliteit

Onderwijskwaliteit hbo: de balans na 300 deelnemersdagen (deel 3: leerdoelen en toetsen)

24 maart 2017 Blog 0

10/03/2017

Sinds 2015 verzorgen Ouke Pijl en ik de Basisleergang Onderwijskwaliteit hbo. We hebben deze leergang zeven keer verzorgd voor ruim 100 deelnemers vanuit vrijwel alle hogescholen, de inspectie van het onderwijs en het particuliere onderwijs. Deze cursisten beslaan samen alle rollen die in het onderwijs te vinden zijn: opleidingsmanagers, kwaliteitsadviseurs, leden van curriculumcommissies, leden van examencommissies, docenten, innovatoren. Deze variëteit maakte dat de leeromgeving rijk en de kennisuitwisseling intens en leerzaam was. Onderwijskwaliteit komt immers tot stand in het samenspel van juist deze verschillende partijen, die elk een eigen toegevoegde waarde hebben. Ruim driehonderd deelnemersdagen later maken we een balans op rond de vraag: Hoe is het gesteld met de onderwijskwaliteit in het HBO? En waar liggen de uitdagingen en kansen voor het verbeteren van deze kwaliteit?

Twee weken geleden gingen we in op NVAO-standaard 1. De beroepsvisie, vorige week op NVAO-standaard 2. Didactisch concept. Vandaag zoomen we in op de Toetsing en het afstuderen (NVAO standaard 3 en 4)

 

Leerdoelen en toetsmatrijzen blijven ingewikkeld (NVAO standaard 2)
Ronduit zwak blijkt de kwaliteit van de leerdoelen. Docenten hebben hierbij vooral moeite met het maken van de koppeling tussen competenties en het competentieniveau. Ook blijken er binnen docententeams nog onvoldoende afspraken te worden gemaakt over de wijze waarop de leerdoelen worden geformuleerd en het abstractieniveau waarop dat gebeurt. Zo varieert het aantal leerdoelen binnen een opleiding soms van 6-30 per onderwijseenheid. Ook hebben de opleidingen nog steeds moeite met het formuleren van toetsmatrijzen. Het betreft hier puur de onderwijskundige techniek van het formuleren van leerdoelen en het opstellen van toetsmatrijzen die docenten nog te veel afschrikt. Onder invloed van BKE-trajecten is hier weliswaar een verbetering in te zien, maar de kwaliteit van de matrijzen is nog op te veel plaatsen voor flinke verbetering vatbaar.

Toetsbeleid en toetsorganisatie krijgen meer vorm (NVAO standaard 3 en 4)
In het toetsbeleid wordt geëxpliciteerd wat de opleiding met toetsing wil bereiken en worden steeds duidelijkere afspraken gemaakt over de wijze waarop getoetst wordt. Hier zien we al de eerste positieve effecten van de SKE-trajecten. Wij raden managers dan ook aan zelf en in ieder geval hun voorzitters van examencommissies deel te laten nemen aan SKE-trajecten.

De vertaling van het toetsbeleid naar het toetsprogramma verloopt steeds beter. Hierboven is al geschetst dat de competentiematrix vaak nog niet een levende matrix is en dat de leerdoelen en daarmee ook het hele systeem van toetsing nog niet altijd naadloos aansluit bij deze matrix. Hierdoor is de koppeling leerdoel-toetsvorm (welke toets past bij deze competentie, op dit niveau bij deze inhoud bij deze onderwijseenheid) nog niet altijd optimaal.

De kwaliteit van de toetsen zelf begint over het algemeen op niveau te raken. Begrippen als validiteit en betrouwbaarheid zijn, vooral door de BKE-cursussen en de wakende, borgende examencommissie, bij docenten bekend en worden juist gehanteerd. De conclusies van de Commissie Rullmann dat hogescholen door de uitvoering van het rapport “Vreemde ogen dwingen” veel meer toetskennis in huis hebben en veel meer aan kennisdeling en benchmarking doen dan in het verleden, ervaren wij in onze praktijk ook. Dit geldt ook voor hun conclusie dat dit al merkbaar tot flinke kwaliteitsstappen heeft geleid op het gebied van externe validering van toetsen.

Ook de toetsorganisatie wordt steeds duidelijker. Examencommissie, toetscommissie, management en docenten weten steeds beter wie wat op welk moment doet. Zij weten elkaar steeds beter te vinden en, waar gewenst, samen te werken.

Tot slot bestaan er te veel misverstanden over het afstudeerprogramma. Opleidingen denken nog te vaak dat álle competenties in een afstudeerprogramma integraal aan de orde zouden moeten komen en vooral ook getoetst zouden moeten worden. Voor ons is een afstudeerprogramma een representatie van de visie waarin een set kerncompetenties van de opleiding integraal op bachelorniveau moet worden aangetoond. Alle competenties die in deze afstudeerfase niet aan de orde komen, kunnen elders in het programma van jaar 4 (en eind jaar 3) worden afgetoetst.

Volgende week: deel 4. Cocreatie en professionele cultuur.

In het voorjaar bieden wij de basisleergang onderwijskwaliteit hbo voor de achtste keer aan. De cursusdagen zijn op 9/5, 30/5 en 27/6.