Prestatie-indicatoren praktijkgericht onderzoek

Prestatie-indicatoren praktijkgericht onderzoek

24 maart 2017 Blog 0

07/06/2012

Vandaag, op 7 juni 2012, vond bij de HU een bijeenkomst plaats van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteit van het Hoger Onderwijs. De organisatie lag bij Paul Nieuwenhuis en ondergetekende. Het thema was: Prestatie indicatoren praktijkgericht onderzoek.

In het hoofdlijnenakkoord dat de HBO-raad heeft gesloten met de staatssecretaris van OCW is als streven opgenomen om vóór 2015 een breed gedragen set indicatoren te hebben ontwikkeld en getest voor de verschillende domeinen binnen het praktijkgericht onderzoek.

De vragen die vanmiddag voorliggen luiden: Wat zijn de voornemens van de hogescholen? Wat zijn de ervaringen bij externe evaluaties van lectoraten? Welke indicatoren gebruiken de hogescholen?

De middag startte met het uitwisselen van kennis en ervaring op dit gebied. De belangrijkste ervaringen op een rij:

In Leiden kiest men voor 3 clusters met prestatie-indicatoren (effect lectoraat op onderwijs, onderzoek en beroepenveld) en koppelt daar ook normen aan. De indicatoren worden in de organisatie breed gedragen. De lectoraten zitten dicht op het onderwijs maar men worstelt nog met de vraag hoe al de ontwikkelde indicatoren bijgehouden en gecontroleerd moeten worden.

In den Haag werkt men aan een scan om in kaart te brengen hoe de onderzoeksproducten van de lectoraten in het onderwijs zijn teruggeploegd en hoe dat in de toekomst nog systematischer en effectiever  kan gebeuren.

Bij Avans  moeten alle producten worden gekoppeld aan de beroepspraktijk. Indicatoren liggen op dit moment nog in de randvoorwaardelijke sfeer. Bijvoorbeeld rond het aantal dagen per week dat lectoren en kenniskringleden aan onderzoek werken of de thema’s/ programmaonderwerpen waarbinnen de onderzoeken  moeten plaatsvinden.

Bij Saxion waren de indicatoren in het verleden vooral managerial van aard. Het ging om aantal lectoren, aantal kenniskringleden, aantal intensieve stakeholdersrelaties, financiële indicatoren zoals inkomsten  en werkveldtevredenheid. Ook gebruikte men de HBO raad indicatoren van VKO. De laatste tijd veranderen de indicatoren. Nadruk ligt nu ook op publicaties en overige output. Er zijn nog geen indicatoren m.b.t. het ten dienste stellen van kennis voor onderwijs.

Groningen werkt voornamelijk met abstracte indicatoren. Lijsten met criteria kunnen hooguit ondersteunend zijn aan de verantwoording, maar mogen niet sturend zijn. Elke onderzoekseenheid definieert weer andere indicatoren. In Groningen kijkt men of het mogelijk is de systematiek van indicatoren te veranderen in een soort kennisketenbeheer.

Ook Fontys/ Inholland/ Stenden/ Windesheim benoemen de 3 velden (onderwijs, onderzoek en beroepenveld). Zij worstelen nog met de vraag hoe je de indicatoren kan meten. Bij aantallen FTE’s lukt dat nog wel, maar hoe meet je outputproducten? Zij waarschuwen om in de discussie het onderscheid tussen input (grootte kenniskring, financiën) en outputindicatoren (publicaties, artefacten) niet door elkaar te laten lopen.

Foka  Brouwer van Hobeon geeft vervolgens een overzicht van haar ervaringen als auditor t.b.v. externe evaluaties van lectoraten.

In het begin waren de lectoren zoekende. Centraal stonden toen indicatoren op het gebied van inrichting (voorwaardenscheppende indicatoren). Hoe leggen we verbinding tussen onderwijs en onderzoek en beroepenveld? Welk HRM beleid hoort daarbij? Hoe is het lectoraat ingebed in de hogeschoolorganisatie? In deze pioniersfase waren er grote verschillen tussen de verschillende lectoren. Kwaliteitsoordelen werden gebaseerd op de resultaten in relatie tot de randvoorwaarden. Er was nog geen absolute meetlat.

Momenteel bevinden hogescholen zich in de consolidatiefase. Lectoraten zijn gebundeld in kenniscentra waar focus en massa concrete betekenis hebben gekregen. Dat betekent dat kwaliteitsindicatoren nu centraal kunnen komen te staan. Door de focus en massa is ook de driehoek onderzoek, onderwijs, beroepenveld beter afgedekt. De ene lector concentreert zich wat meer op de ene kant van de driehoek en de andere weer wat meer op de andere kant. Ook het beroep van lector is aan het professionaliseren. Er zijn inmiddels verschillende soorten en niveaus van lectoren. De ene richt zich meer op onderzoek, de andere weer meer op het valoriseren van kennis.

Echter, de discussie over wat (goed) HBO onderzoek is, is nog lang niet afgerond en kent nog weinig consensus. Het is daarom van belang het onderzoeksprofiel aan te scherpen. Welk type onderzoek hoort er bij ons domein? en hoe ziet dat onderzoek er precies uit? Welke methodologie zit daar onder? Is valorisatie een onderdeel van onderzoek of komt het als fase na het onderzoek?  Behalve dat hier nog geen consensus over bestaat, is het niveau van onderzoek nog “onder de maat”. Het is van belang dat binnen het HBO de discussie gaat beginnen over de gewenste “maat” en wat de afstand tussen de “gewenste” en de “huidige maat” is.

Hogescholen maken nog te weinig gebruik van de eerste geldstroom. Er zijn veel docenten en studenten die ingezet kunnen worden. Daar is nog wel een kwaliteitsprobleem te bespeuren, maar de interne capaciteit wordt nog lang niet overal voldoende gebruikt.

Indicatoren moeten worden afgeleid van een specifieke visie/ missie van het kenniscentrum. Deze visie moet dan wel afgestemd zijn op de hogeschoolvisie en besproken zijn met de relevante stakeholders uit de regio. Ook lijkt het verstandig dat het onderwijs de belangrijkste opdrachtgever voor onderzoek is, zodat onderzoeksresultaten ten dienste van het onderwijs kunnen komen te staan.

Vanuit deze visie kunnen vervolgens indicatoren worden afgeleid. Mogelijke categorieën van indicatoren zijn vervolgens:

Proces en organisatie

–          Massa door bundeling in clusters van lectoraten

–          Onderzoekslijnen als sturend

–          Betrekken van partners

–          Voldoende mensen en middelen

Beroepspraktijk

–          Nieuwe producten en diensten (nieuw!  is in dezen noodzakelijk).

–          Gebruikmaking van die producten in de praktijk (artefacten)

–          Publicaties in vakbladen.

Onderwijs

–          Robuuste producten en inzichten in de kern van de opleiding

–          Aantal docenten en studenten dat bij het onderzoek betrokken is

–          Niveauverhoging van het onderwijs (verhoging van het HBO niveau, zoals dat momenteel bij de accreditaties in de schijnwerpers staat). Overigens zal dit leiden tot minder afgestudeerden.

 

Tot slot:

–          Verbindt steeds de indicatoren en normen met de visie en je profiel

–          Vindt de juiste balans tussen kwalitatieve verantwoording en kwantitatieve.

 

Paul van Deursen

Geef een reactie